1953-1956 | Roden: Harmannus Kok.

Roden - Harmannus (Mans) Kok nam na een conflict van Jan Karsijns met de voorzitter van de afdeling Roden van het Nederlandse Rode Kruis de exploitatie van de Austin K2Y-ziekenwagen op 1 januari 1953 van Jan over.
Mans Kok op ongeveer 40-jarige leeftijd. Bron: Collectie Mien Flonk-Kok, Roden

Mans Kok op ongeveer 40-jarige leeftijd. Bron: Collectie Mien Flonk-Kok, Roden

Mans Kok werd geboren in Foxwolde (foto 1). Zijn vader was een keuterboertje, die vooral in Friesland als landarbeider zijn brood verdiende. Zijn moeder molk de drie koeien. Mans begon als buschauffeur bij de HABO in Haulerwijk op de lijn Haulerwijk-Veenhuizen-Groningen. Hij kreeg daarna zijn opleiding tot automonteur bij de toenmalige Ford-dealer in Groningen (foto 2). Mans trouwde met Hendrikje Barthoorn (*Peize, 20 september 1908 - †Roden, 12 oktober 2005). Zij kregen vier kinderen (Willemina (*Peize, 17 januari 1930), Dirk (Dik) (*Peize, 20 juni 1935) en Jannie en Cornelis (*Roden, 15 oktober 1941) (foto 2). De jongste twee waren dus een tweeling. In 1938 begon hij voor zichzelf door de garageactiviteiten van Jons Fonk aan de Brink 22 in Roden over te nemen. Fonk concentreerde zich in een pand naast deze garage op fietsen. De garage van Mans was een echte reparatiewerkplaats. Hij bood geen stalling voor particuliere auto's en verhuurde aanvankelijk ook geen auto's met of zonder chauffeur. Voor de Tweede Wereldoorlog had Mans zelf wel een donkergroene Dodge, waarmee hij tijdens de oorlog het verzet ondersteunde. Hij bracht ingevlogen agenten en verongelukte piloten naar onderduikadressen. In september 1944 werden alle auto's door de bezetter gevorderd. Mans haalde de motor uit zijn Dodge, verstopte hem bij een boer onder het hooi en stripte de overgebleven carrosserie zoveel mogelijk. De bezetter nam het restant niet mee. Op Eerste Kerstdag 1944 werd hij met 31 andere mensen opgepakt in Roden. Ook zijn huisarts Pieters, die tegenover hem op de Brink woonde was erbij. De meesten van deze groep werden gefusilleerd. De groep werd onder leiding van de Landwachter Jacob Luitjes eerst naar een villa van de Hollandse SD (Sicherheitsdienst) in Norg gebracht. De volgende ochtend moesten zij lopend naar het Huis van Bewaring in Assen gaan. De overlevenden werden uiteindelijk als dwangarbeider overgebracht naar een scheepswerf in Wilhelmshafen. Hier werd Mans ernstig ziek als gevolg van dysenterie. Het was zijn eigen huisarts, die hem erdoorheen sleepte. Aan het einde van de oorlog werden ze op een rijnaak de Dollard opgestuurd met de bedoeling om gebombardeerd te worden en dus de verdrinkingsdood te sterven. Het pakte anders uit. Ze kwamen aan in Farmsum (bij Delfzijl), dat toen nog niet bevrijd was. Drie maal deed zijn jongste broer Gerrit evenzovele mislukte pogingen met de in oude glorie herstelde Dodge met een Nederlandse driekleur op de motorkap vanuit het bevrijde Drenthe zijn broer in Farmsum te bereiken en naar huis terug te brengen. Uiteindelijk had Mans gezegd: ‘al moet ik kruipen, maar met mijn verjaardag wil ik thuis zijn'. Daags voor zijn verjaardag wàs hij thuis. Zijn jonge tweeling had gezegd: ‘Dat is onze pap niet'. Zijn gezondheid had hem fors in de steek gelaten. Hij is zeker een jaar ziek geweest met benen vol vocht en falende nieren. Zijn jongste broer (*Foxwolde, 22 februari 1918 - †Emmen, 10 februari 1987, die later commies van de belastingen zou worden) had hem altijd geholpen en hield ook nu de zaak overeind. Na de oorlog is Mans naast het garagebedrijf pas met het taxivervoer begonnen en daarmee ook met zittend ziekenvervoer. Het waren waarschijnlijk twee zwarte Chevrolets (foto 3) en een Ford, waarmee deze activiteiten werden uitgevoerd. Een taxivergunning van de Provincie Drenthe kostte toen het fenomenale bedrag van 4650 gulden! Van Garage Karsijns nam hij op 1 januari 1953 de door het Nederlandse Rode Kruis in bruikleen gegeven Austin K2Y-ziekenwagen over. Deze ziekenwagen werd in 1954 vervangen door een Cadillac Fleetwood uit 1947, die tweedehands werd gekocht en door Compaan & Poepe uit Assen werd omgebouwd tot ziekenwagen.

Mans was een lieve man. Hij is na de oorlog lichamelijk nooit meer de oude geworden. Zijn oudste dochter en zoon omschrijven hem in die jaren als ‘poetsig' (onverzorgd). Na de periode van falende nieren werd hij hartpatiënt. Zijn huisarts adviseerde hem het onregelmatige leven als taxi- en ziekenvervoerder te beëindigen. Zijn zoon Dirk had alleen belangstelling voor het garagebedrijf. Anton Holt en Chris Reinders zouden het taxi- en ziekenvervoerbedrijf op 1 februari 1956 overnemen. De twee zwarte Chevrolet taxi's en de witte Cadillac ziekenwagen werden overgenomen en deze activiteiten verhuisden met Holt en Reinders naar de Schoolstraat 22.

Dirk nam het in 1961 het garagebedrijf van zijn vader over. In 1983 kocht de gemeente het pand aan de Brink 22 met inboedel en al. Dirk kon tezelfdertijd een compleet garagebedrijf aan de Leeksterweg overnemen ook met inboedel en al.

Mans had veel last van een grote liesbreuk, die hij verschrikkelijk graag kwijt wilde. Zijn geneesheren in het Acadenisch Ziekenhuis in Groningen zagen erg tegen de ingreep op vanwege zijn slechte hartconditie. Op 13 september 1971 werd de ingreep onder locale verdoving en een licht roesje uitgevoerd. Het ging echter al tijdens de ingreep helemaal mis. Zijn hart begaf het definitief.

Auteur: Hans Waldeck, versie 2008 05 13