1935-1953 | Roden: De torenkraai overleefde het niet. Ziekenvervoer Jan Karsijns.

Naam bedrijf:

Garage Karsijns en van der Wiel

Vestigingsplaats bedrijf:

Roden

standplaatsen:

Westeinderweg, later Raadhuisstraat

Eigenaren:

Jan karsijns en (tot 1940) Sijtze van der Wiel

Ziekenvervoer aangevangen:

tussen 1935 en 1940

Ziekenvervoer gestaakt:

1953

 


Albert Karsijns en Marchina Beuker op hun trouwdag 27 april 1899. Bron: Foto C. Sanders, Coevorden; Collectie Tjerk Karsijns, Roden.

Albert Karsijns en Marchina Beuker op hun trouwdag 27 april 1899. Bron: Foto C. Sanders, Coevorden; Collectie Tjerk Karsijns, Roden.

 

Met Hans de torenkraai op de fiets

Albert Karsijns (*Nieuwe Pekela, 13 juli 1873 - †Nieuw-Amsterdam, 29 december 1915) uit Nieuwe Pekela en Marchina Beuker (*Ommelanderwijk (Veendam), 4 januari 1874 - †Almelo, 17 mei 1958) uit Ommelanderwijk (foto 1) kregen vier kinderen, drie jongens en één meisje, waarvan Jan (*Nieuw-Amsterdam, 8 februari 1909 - †Roden, 25 februari 2002) de jongste was. Albert was boer in Nieuw-Amsterdam. Hij bezat redelijk veel land, waardoor hij het financieel niet slecht heeft gedaan. Jan ging na de lagere school eerst bij een hoefsmid werken. Toen zijn moeder hem echter een keer aan het werk zag met die grote paarden, heeft zij hem gedwongen bij een fietsenmaker te gaan werken. Ze vond het werk bij de hoefsmid te gevaarlijk voor dat iele ventje. Later wilde Jan zijn vleugels uitslaan en reageerde op een advertentie in Het Nieuwsblad van het Noorden van Lammert Zuiderveld in Roden. En zo ging Jan begin 1929 werken in de auto- en fietsenreparatiewerkplaats van Lammert. Hij was bij Lammert in de kost en sliep op dezelfde kamer als de zoons van Lammert. De reparatiewerkplaats bevond zich onder één dak met het hotelcafé aan de Beuklaan (later Wilhelminastraat) (foto 2 en 3). Hier maakte Jan kennis met de nieuwe mogelijkheden in het vervoer: de auto en de motorfiets. Twee jaar later ging Jan naar Jan Koning, die eveneens een garagebedrijf had in Roden aan het Roder Westeind, later aan de Heerestraat (foto 4). Hij had ook aardigheid in het tam maken van jonge Kauwtjes. Deze torenkraaien werden dan vroeg uit het nest gehaald en grootgebracht door Jan (foto 5). Hans de torenkraai volgde Jan overal en reed zelfs mee op het stuur van zijn fiets. Op een kwade dag pikte Hans in de hak van een paard, kreeg een trap van het dier, Hij kon niet gered worden en gaf de geest. Weer twee jaar later ging hij naar Adrianus Henderikus (‘Jons') Fonk, die ook een auto- en fietsenreparatiewerkplaats aan de Brink (eerst Roden no. 249) in Roden had (foto 6, 7 en 8). Jan was na de periode Zuiderveld in de kost (maar niet slapen!) gegaan bij zijn latere schoonvader Tjerk Scheepstra, die op Roden no. 198, later Groningerstraat en nog later Raadhuisstraat 10-12 (198) handelde in meel, aardappelen en brandstoffen. Later weidde hij jongvee voor de mest. De familie Scheepstra kwam oorspronkelijk uit Surhuisterveen Gerkesklooster en waren daar schippers en kooplieden. Zo waren zij al in de achttiende eeuw in Leek en Roderwolde terecht gekomen. Tjerk (*Lieveren (Roden), 8 augustus 1884 - †Roden, 26 februari 1957) had samen met zijn vrouw Jantje Goijert (*Hoogkerk, 21 februari 1885 - †Emmeloord, 22 september 1959) uit Hoogkerk (foto 9) een dochter Willemina (Mien), waarmee Jan zich rond 1935 verloofde (foto 10).

Een eigen reparatiewerkplaats 

1935 was ook het jaar, dat Jan samen met Sijtse van der Wiel een auto- en fietsenreparatiewerkplaats begon op een gehuurd stukje grond aan de Westeinderweg 140b van boer Freerk Baving, waarop een pandje werd gebouwd voor 1200 gulden (foto 11). Het geld kwam òf uit een erfenis van zijn ouders òf van zijn aanstaande schoonvader Tjerk Scheepstra. Het was eigenlijk een schuur, waarin rond 1941 op de verdieping een bescheiden woning werd ingericht. Het was volgens de Leekster Courant van 5 oktober 1935 de derde garage in Roden! Tegen het einde van de dertiger jaren ging Jan alleen verder; vermoedelijk omdat van de inkomsten geen twee gezinnen konden leven. Sijtse werd nog even buschauffeur bij de GADO, maar ging later bij de Gemeentepolitie in Harlingen. Jan trouwde op 3 mei 1941 met Mien. Willemina was de middelste van drie kinderen en kon goed leren. Ze ging naar de ULO, maar werd van school gehaald om mee te helpen in de boekhouding van het bedrijf van haar vader. Jan en Mien gingen boven de garage wonen. Mien assisteerde in het bedrijf met allerlei hand- en spandiensten en deed ook daar de boekhouding.

Garagebedrijf naar de Raadhuisstraat 

In 1948 kocht Jan het pand van zijn schoonvader en verhuisde het garagebedrijf dus naar de Raadhuisstraat in Roden, dat na een verbouwing en splitsing van de woning nummer 10 en 12 kreeg en waar het tot 1957 gevestigd bleef (foto 12). Garagebedrijf Karsijns werd toen verkocht aan de varkenshandelaren gebroeders Posthumus, die daarmee ook autohandelaren werden. Jan ging op het servicestation als doorsmeerder en pompbediende in loondienst bij de vrachtautodealer Mijnhardt (o.a. M.A.N.) (foto 13 en 14).

De eerste ziekenauto in Roden

Tussen 1935 en 1940 kocht Jan Karsijns een Studebaker ziekenwagen. Het was een limousinemodel uit 1928-1929 met een achtcilinder motor. Hij was reeds omgebouwd tot ziekenwagen door de carrosserie aan de achterzijde te verlengen. Van wie hij deze auto heeft gekocht en door wie de carrosserie was verlengd is niet bekend. De auto kreeg het provinciale kenteken, dat op naam stond van Jan, D-5521 (foto 15). Samen met zijn schoonzus Alina Hoekstra-Scheepstra ging Jan op EHBO-cursus bij de huisarts J.L. Te Velde (foto 21). Jan was vanwege zijn ziekenvervoeractiviteiten min of meer verplicht om deze cursus te volgen. Zijn schoonzus deed voor de aardigheid vrijwillig mee.

Studebaker gevorderd door de Duitsers

De auto is vermoedelijk in het najaar van 1944 door de Duitsers gevorderd. Jan heeft nog geprobeerd deze vordering te voorkomen door de ontsteking en de carburateur in een kistje in de tuin te begraven, de banden van de velgen te halen en de auto in de schuur naast zijn huis te stallen. De Duitsers lieten zich echter niet om de tuin leiden en sleepten de auto alsnog op zijn velgen door het dorp. Lange tijd was het spoor van de krassende velgen in het dorp terug te vinden. Voor het liggend ziekenvervoer was vervolgens tot het einde van de oorlog geen ziekenwagen beschikbaar. Niemand heeft ooit nog iets van deze ziekenwagen vernomen.

Beperkte uitrusting

Jan was toen nog vaak de enige chauffeur en dus ook het enige bemanningslid van de ziekenwagen. Het was in die jaren niet gebruikelijk, dat meer dan één bemanningslid op de wagen zat. Het in- en uitladen geschiedde met hulp van familie van de zieke of van omstanders bij een ongeval. De uitrusting beperkte zich tot een brancard, die wel op hydraulisch afgeveerde poten stond (foto 16). Boven de voorruit prijkte een rood kruis, hetgeen vermoedelijk betekende, dat deze ziekenwagen goedgekeurd was door een voertuigcommissie van het Nederlandse Rode Kruis. Een vorm van kwaliteitsborging in die jaren dus. De zware auto kwam regelmatig vast te zitten op de in die jaren nog veelvuldig aanwezige en dan meestal natte zandwegen rond Roden. Niet zelden moest een boer met een paard te hulp schieten om de ziekenwagen weer los te trekken. Om het vastzitten te voorkomen moest soms erg ver van het opgegeven adres geparkeerd worden en de afstand met de patiënt gedragen op de brancard te voet worden afgelegd. Jan liet na de oorlog een soort framewerk maken, zoals die ook onder een bakfiets zat, waarop de brancard geplaatst kon worden. Het verlichtte het ophalen van de patiënten op verafgelegen adressen enorm.

Bombardement op Roden

De Studebaker werd op 24 oktober 1941 ingezet bij een hevig bombardement van de geallieerden op Roden. Bij dat bombardement op onder andere het gemeentehuis werd de vader van Sijtse van der Wiel, Johannes van der Wiel zwaar gewond (foto 17). Johannes was bode/conciërge op het gemeentehuis en woonde met zijn tweede vrouw Martje Korf op de benedenverdieping, maar hadden een slaapkamer op de verdieping daarboven. Hij was een nieuwsgierig man en die karaktertrek is hem vermoedelijk noodlottig geworden. Toen laat in de avond van vrijdag 24 oktober 1941 vliegtuigen overkwamen, ging Johannes zijn bed uit om te zien wat er gaande was. Hij is door de openslaande ramen direct op het platte dak van de secretarie gestapt. Het hoge dak van het gemeentehuis belette hem het uitzicht in horizontale richting, waardoor hij de bom die het woongedeelte zou treffen niet gezien heeft. Johannes werd door een bomscherf vol in buik getroffen. Zijn vrouw Martje was al uit bed, maar nog in de slaapkamer, die volledig verwoest werd (foto 18 en 19). Zij liep door rondvliegend glas wonder boven wonder slechts verwondingen aan haar knie op. Zij was echter zo overstuur, dat bewoners van de Westeinderweg (nu: Heerestraat) haar hoorden gillen. Dokter Weggemans, die naast het gemeentehuis woonde, verleende eerste hulp en gelaste een snel vervoer naar het ziekenhuis in Groningen. Toen Jan Karsijns met de ambulance ter plaatse kwam, was hij behoorlijk van streek omdat het de vader van zijn vroegere compagnon betrof. Daarom nam hij deze keer een goede bekende, Riemer de Vries -de zoon van bakker De Vries mee om Johannes naar Groningen te brengen, maar die bestemming heeft Johannes niet meer levend bereikt.

De rol van het Nederlandse Rode Kruis bij het herstel van het liggend ziekenvervoer

Jan was zijn ziekenwagen kwijt na de oorlog. In het herstel van het liggend ziekenvervoer heeft het Nederlandse Rode Kruis in Drenthe net als elders in Nederland een belangrijke rol vervuld. Het Nederlands Rode Kruis kende provinciale kringbesturen onder leiding van een kringcommissaris. Voor Drenthe was dat toentertijd dokter G.A. Kalverkamp. Het kringbestuur had eigen ideeën over de gewenste standplaatsen voor ziekenwagens. Tijdens een bespreking op 27 november 1946 wil het bijvoorbeeld ziekenwagens stationeren in Gieten en Dieverbrug. In december 1946 werd door het Nederlandse Rode Kruis de Vereeniging Ondersteuning Roode Kruiswerk ´V.O.R.K.´ opgericht. Het was een voortzetting van de Hulp Actie Rode Kruis ´H.A.R.K.', die nog ongebruikte gelden beschikbaar had voor de provincie Drenthe. De´H.A.R.K.' was een nationale hulpactie aan mensen ter leniging van materiële nood als gevolg van de voorbije oorlogsjaren en is op 31 mei 1947 weer beëindigd. De vereniging hield haar eerste vergadering op 22 augustus 1947 met als voorzitter dokter Kalverkamp en als directeur de heer L.J. Vos. Kort daarvoor had de Inspecteur voor de Volksgezondheid, de heer Polman, een rapport opgesteld over de toestand, waarin het liggend ziekenvervoer in Drenthe zich bevond. Hij stelde vast, dat in Drenthe nog tien ziekenwagens operationeel waren, waarvan slechts twee in goede staat.

De ´V.O.R.K.´ zag het als haar taak, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis, Engelse Austin-legerambulances om te laten bouwen en te stationeren in Drenthe. Voor de aanschaf van deze ziekenwagens stelde de ´V.O.R.K.´ tienduizend gulden per auto beschikbaar. Deze Austin-legerambulances waren na de oorlog overgedragen aan het Nederlandse Rode Kruis en hadden een provinciaal kenteken (HZ) van Zuid-Holland gekregen (de zetel van het hoofdbestuur was immers in Den Haag). De constructie was huurkoop. De ´V.O.R.K.´ schafte de ziekenwagen en liet hem ombouwen bij de Gebroeders Visser in Leeuwarden. Vervolgens werd de auto overgedragen aan een afdeling van het Nederlandse Rode Kruis, die hem weer ter exploitatie onderbracht bij een erkende garagehouder. Eens per drie maanden werd een deel van de inkomsten (15 cent van de kilometerprijs) afgedragen aan de ´V.O.R.K.´ ter afbetaling van de huurkoopprijs. Bovendien werd 5 cent gereserveerd voor reparaties. De exploitant moest een all/riskverzekering afsluiten, maar kon dit tegen gunstige voorwaarden doen bij het Nederlandse Rode Kruis. Het Rode Kruis droeg ook zorg voor een wegenkaart. De exploitant moest de ziekenwagen beschikbaar houden voor oefeningen en daadwerkelijke rampen. Een commissie begeleidde de ter beschikkingstelling van deze ziekenwagens. In deze commissie hadden zitting vertegenwoordigers van het Rode Kruis, de ´V.O.R.K.´, de ziekenfondsen en de inspectie voor de Volksgezondheid en het Verkeer. De ´V.O.R.K.´ werkte ook samen met de Bond van garagehouders in Drenthe om te voorkomen, dat de garagehouders het Rode Kruis als concurrent zouden ervaren.

De ´V.O.R.K.´ begon met ziekenwagens te stationeren in plaatsen waar een ziekenhuis was gevestigd, zoals Assen, Coevorden, Emmen en Meppel, maar Diever, Roden en Gieten kregen ook prioriteit. Het kringbestuur van het Nederlandse Rode Kruis ondersteunde deze ontwikkeling krachtig. In Emmen kwam vermoedelijk de eerste nog niet omgebouwde Austin K2Y; in Roden de eerste door de Gebroeders Visser uit Leeuwarden wel omgebouwde Austin K2Y (foto 20). Een viertal mensen uit Roden, te weten Jan Karsijns, de heer Zondag, Roel Wanders en Jacob Buring zouden de ziekenwagen in Den Haag bij het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis ophalen. De auto was echter nog niet klaar, zodat het gezelschap onverrichterzake terug moest keren naar Roden. Jan Karsijns was woest, dat hij die hele reis voor niets had gemaakt. Roel Wanders zou de auto later alsnog ophalen. Deze Austin werd het najaar van 1947 in exploitatie gegeven van Jan Karsijns. De afbetaling verliep goed. De afdeling Roden betaalde het eerste jaar 500 gulden, maar was wel één van de laatste die in 1956 de ziekenwagen had afbetaald.

Op een landdag van het Nederlandse Rode Kruis in Lunteren in 1947 werd deze Austin-ziekenwagen trots gepresenteerd. Het was vermoedelijk niet alleen de eerste in Drenthe, maar ook één van de allereerste in Nederland, die deze burgeropbouw van de Gebroeders Visser uit Leeuwarden had gekregen (foto 21).

Vaste chauffeurs en begeleiders op deze ziekenwagen waren naast Jan Karsijns ook Roel Wanders, Jacob Buring en Joop (Jo) Piek. Ook zuster Jonkman reed regelmatig mee. Wanneer Jan Karsijns alleen op de ziekenwagen zat, moesten bij het inladen van de patiënt natuurlijk de huisgenoten of de omstanders een handje helpen.

Eén van de eerste patiënten, die met de Austin werd vervoerd was Tunnis Hagenauw. Hij had een geperforeerde maagzweer en moest naar een ziekenhuis in Groningen gebracht worden. Volgens overlevering is Jan Karsijns met deze ziekenwagen eens bij burgemeester jhr mr Jacob Willem Alberda van Ekenstein van het Groningse Marum op bezoek geweest. Tot een contract is het echter nooit gekomen.

Jan Karsijns stopt met ziekenvervoer

In 1952 kreeg Jan woorden over de huurprijs van de Austin met de toenmalige voorzitter van de afdeling Roden van het Nederlandse Rode Kruis, de heer Bulthuis. Dit liep zo hoog op, dat hij de auto weer ter beschikking stelde van het Rode Kruis. Op 1 januari 1953 werd hij daarom overgedragen aan Garage Kok in Roden.

Jan Karsijns had privé een Hudson Super Six Sedan uit 1947 met hetzelfde provinciale kenteken als de Studebaker-ziekenwagen: D-5521 (later nog gewijzigd in D-10296 (afgegeven op 2 januari 1936) en in 1955 in SP-49-59) (foto 22). Deze auto is vermoedelijk in 1953 verlengd en omgebouwd of in ieder geval aangepast als ziekenwagen bij Anne Westerhof en Jan Noordhuis, die een carrosseriebedrijf in Haren (Gr) hadden. Anne Westerhof was een vriend van Jan Karsijns. De huisartsen in Roden bleven namelijk opdrachten voor zowel zittend als liggend ziekenvervoer aan Jan Karsijns afgeven. Ze schoten kennelijk tekort in het afgeven van de daarbijhorende en noodzakelijke machtigingen, want moeder Karsijns heeft wel eens gezegd, dat ze aan het ziekenvervoer ‘wel 25.000 gulden tekort zijn geschoten bij het ziekenfonds'. Desalniettemin werd ook het liggend ziekenvervoer tot de overdracht van het bedrijf in 1957 aan de gebroeders Posthumus onderdeel van de activiteiten. Op de Hudson zat geen rood kruis meer na de aanvaring met de voorzitter van het Rode Kruis, maar een groen kruis, want Jan Karsijns had het helemaal gehad met het Rode Kruis. De gebroeders hebben geen liggend ziekenvervoer meer uitgevoerd en het is dan ook niet bekend waar de Hudson gebleven is.

Auteur: Hans Waldeck; versie 2008 04 23.