1918-1986 | Meppel: 'Ze koomt er an' (Deel 2) - Kroeskop: het ziekenvervoer

  


Hilbert Kroeskop. Bron: Kroeskop BV, Meppel.

Hilbert Kroeskop. Bron: Kroeskop BV, Meppel.

De eerste ziekenauto van Kroeskop

Het ziekenvervoer in Meppel werd rond 1900 uitgevoerd door de Nederlands Hervormde Vereeniging voor Inwendige Zending en Ziekenverpleging ‘Draagt Elkanders Lasten’, die daartoe werd gesubsidieerd door de gemeente. In 1908 was deze vereniging overgegaan tot de aanschaf van een ziekenrijtuig met een ‘zachte ligging voor de patiënt en een zitting voor de begeleider’. Voor die tijd werd een Landauer gebruikt, waarin slechts planken als ligplaats voor de zieken dienst deden.
In een interview, dat Hilbert Kroeskop ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan in 1968 van het bedrijf gaf aan Monique Floor van ‘Onder Chevron Vlag’, memoreerde hij de komst van de eerste ziekenauto bij het bedrijf. Eind 1918 werd hij naar het Duitse Bielefeld gestuurd om die eerste ziekenauto op te halen. Het werd het begin van Ziekenvervoer A. Kroeskop. Die eerste ziekenauto kon met een bijdrage van de Gemeente Meppel aangeschaft worden. Toen de ziekenauto zichzelf kon bedruipen, wilde de heer Kroeskop niet meer van subsidie weten. De Kroeskoppen hielden niet van feestelijk vertoon. Het vijftigjarig bestaan moest in 1948 georganiseerd worden door twee cliënten! Maar ook het vijftigjarig bestaan van de ambulancedienst in 1968 vond Hilbert niet de moeite waard om gevierd te worden: ‘Er zijn mensen voor wie de taak-van-alledag veel belangrijker is dan feestelijk terugblikken’. Het hoort kennelijk een beetje bij het bedrijf, want ook Willem Wemmenhove vond de maatschappelijke betekenis van de ambulancedienst belangrijker dan een historische terugblik op de ambulanceactiviteiten.

Een witte vlag in een melkbus

In de beginjaren moesten de zieken nog naar Zwolle of later Hoogeveen vervoerd worden. Van 1895 tot 1934 was er weliswaar een klein Stadsziekenhuis aan de Havenstraat 1 in Meppel, maar zonder geneesheren. Een echt ziekenhuis kreeg Meppel pas in 1937 met de stichting van het huidige Diaconessenhuis. Hilbert was in 1969 van mening, dat het ziekenvervoer ‘subliem georganiseerd’ was in Drenthe en de Kop van Overijssel. In Staphorst, Steenwijk (Heemstra), Frederiksoord (Menger), Dwingelo (Wanningen), Beilen (Zantinge), Hoogeveen (eerst Kip, later Europagarage) en Staphorst (Mussche) zaten ambulancediensten met over het algemeen ook maar één auto. De garagehouders hadden een eigen vereniging opgericht. Het bestuur had regelmatig contact met de ziekenfondsbesturen. De ledenvergadering had bovendien bepaald, dat de vereniging de dienstdoende ziekenauto’s keurt. Er was een goed contact met de ziekenvervoerders van naburige gemeenten, wanneer meer dan één ziekenauto nodig was. Van enige afgunst (‘haat en nijd’ tussen de bazen) en rivaliteit (‘maar geen slaande ruzies bij ongevallen’) was desalniettemin wel sprake. In Havelte was het wat dat betreft ‘wie het eerst kwam, wie het eerst maalde’. Al na de Tweede Wereldoorlog moet sprake zijn geweest van een centrale meldingspost. Later werd deze functie door de ANWB-post aan de rijksweg bij Hoogeveen overgenomen en nog later verhuisde deze post naar een plekje langs de A28 bij Assen. De relatie met de ANWB bleef overigens lang bestaan! Via deze post konden de ambulances zo nodig berichten doorgeven aan de ziekenhuizen waarnaar ze op weg waren. Sommige adressen waren soms moeilijk te vinden en moeilijk te bereiken in de uitgestrekte landerijen rond Meppel. Toen de mobilofoon zijn intrede nog niet gedaan had, werd de boeren gevraagd een melkbus met een witte vlag langs de weg te zetten.
De bemanning had van ’s-ochtends acht uur tot ’s-middags vijf uur dienst in de garage. Daarna werd de 24-uurs dienst thuis volgemaakt. Dit betekende dat thuis ook de telefoon bewaakt moest worden. Semafoons, laat staan mobiele telefoons, bestonden nog niet. Als de ziekenauto eruit moest, betekende dat een zwaardere aanslag op de echtgenotes. Op dat moment moesten zij de telefoon bewaken en konden dus geen kant meer op. Het hoorde allemaal bij de aanstelling van hun echtgenoot! Bij een tweede rit moest een tweede ziekenauto altijd uit een buurgemeente komen. Dat was soms een heel georganiseer. Men moet zich daarbij realiseren, dat mobilofoons pas na 1974 op de wagens kwamen. Als de ziekenauto voor die tijd onderweg was, was hij onbereikbaar. Soms waren de echtgenotes niet thuis en dan werd er zonder resultaat om een ziekenauto gebeld. Dat gaf veel onvrede. Een antwoordapparaat moest dat oplossen met de mededeling welke ziekenauto dan gebeld moest worden. Dergelijke telefonades kostten veel tijd als ‘iedere seconde telt…’. In de loop der jaren, maar vooral na de invoering van de Wet Ambulancevervoer (1971) verdwenen rondom Meppel een aantal van die ‘tweede wagens’, omdat de ambulancebedrijven het al of niet gedwongen opgaven. Heemstra in Steenwijk stopte, omdat twee man op de wagen verplicht werd. Zo kon Menger het niet meer bolwerken en ook Wanningen in Dwingelo gaf de pijp aan Maarten. Met het nieuwe spreidingsplan voor ambulanceauto’s, dat overigens veel commotie in de provincie gaf, kreeg Meppel in 1986 definitief zijn tweede ambulance.

De oudste voorganger van UMCG Ambulancezorg

In 1918 werd de eerste ziekenauto door Hilbert Kroeskop uit Duitsland gehaald. Op 31 december 1997 is de ambulancedienst overgedragen aan de Regionale AmbulanceVoorziening (RAV) Drenthe. De grootschaligheid sloeg ook in de ambulancezorg toe. Het ambulancebedrijf Kroeskop heeft er dan nog net geen tachtig bewogen jaren voor de Meppeler gemeenschap opzitten. Zelfs de ambulances staan niet meer in hun eigen garage aan de Werkhorst, maar in een nieuwe garage op het terrein van het Diaconessenhuis aan de Hoogeveenseweg, vlak naast de voormalige helihaven. Een mooiere plek is haast niet denkbaar en symboliseert de kwalitatieve vooruitgang, die ook de ambulancezorg in zuidwest Drenthe heden ten dage doormaakt. Van feestvieren hielden ze bij Kroeskop niet zo, maar het was wel de oudste voorganger van UMCG Ambulancezorg.