1948-1976 | De Riemvis brancarddrager

 

Na de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland zowel in burger- als in militaire ziekenwagens tientallen zo niet honderden verende Riemvis-brancarddragers toegepast. De brancarddragers waren herkenbaar aan de karakteristieke ronde veren op de vier hoeken van de drager. Ze werden toegepast tot ver in de jaren zeventig. Deze drager verdrong de hydraulisch afgeveerde drager van voor de oorlog. Deze functioneerde bij koud weer niet goed, omdat de olie dan te dik was. Ook lekte hij regelmatig olie, waardoor de patiëntenruimte besmeurd raakte.

 


Het echtpaar Immie en Luus Riemvis-van der Pol op ongeveer 28-jarige leeftijd. (Bron: Collectie Kiss Riemvis, Rijswijk)

Het echtpaar Immie en Luus Riemvis-van der Pol op ongeveer 28-jarige leeftijd. (Bron: Collectie Kiss Riemvis, Rijswijk)

 ‘Je bent gek'

Wilhelm Frans Riemvis (*'s-Gravenhage (Loosduinen), 20 februari 1893-†Ede, 10 november 1980) -Immie voor zijn vrouw- had de oorlog doorgebracht in het kamp Kesilir op Oost-Java. Direct na de oorlog -in 1946- konden de heer en mevrouw Riemvis-van der Pol met hun drie kinderen (zoon Willy (*Meester Cornelis (Batavia), 1 april 1919-†'s-Gravenhage, 1963), dochter Lucy Willy (Kiss) (*Meester Cornelis (Batavia), 10 november 1920) en Mathilde (Tilly) (*Soekaboemi, 17 maart 1922-†Brisbane, 1997) gerepatrieerd worden. Dit tot grote vreugde van Immie, die als gevolg van de ontberingen van hemzelf en zijn gezin daarna nooit meer terug wilde naar Java. Ze mochten ieder niet meer dan 30 kilo bagage meenemen naar Nederland. ‘Je bent gek' had de toen 53-jarige Immie tegen zijn katholieke Indo-vrouw van half-Batakse afkomst, maar tegenover de Japanners halsstarrig zich Hollandse noemende Lucie Mathilde (*Poerworedjo, 20 augustus 1893-†Delft, januari 1962) -Luus voor haar man en Nonnie voor anderen- gezegd, toen zij het kleine modelbrancardje mee wilde nemen. Maar zij bleef koppig volhouden, dat zij deze relikwie van hun veeljarig verblijf in Nederlands-Indië niet kwijt wilde. Het modelletje had zij in 1925 met Sinterklaas aan haar man gegeven, omdat die brancard zoveel in hun beider leven had betekend.

Riemvis  wordt door zijn tweede dochter Kiss gekenschetst als ‘een arme jongen'. Hij was als dekschrobber rond 1917 naar Indië gegaan om zijn geluk te beproeven. De afmattende hitte en de vreemde gewoonten vielen hem zwaar. Als gevolg van malaria, het harde werken en de karige verdiensten kreeg hij steeds meer heimwee naar zijn geboorteland, maar het ontbrak hem ten enenmale aan geld voor de terugreis, aldus zijn dochter Kiss vele jaren later. Hij werd echter verliefd op Luus, die al weduwe was met twee kinderen George en Lettie. Lettie was overleden op vijfjarige leeftijd en in die tijd leerde zij Immie kennen. Een klein jaar na hun huwelijk in 1918 werd hun eerste zoon Willy geboren (foto 1). George had hij inmiddels in zijn hart gesloten als zijn eigen kind. Immie kon niet lezen en schrijven -hij zou dat later van zijn vrouw alsnog leren- en verdiende de kost met sjouw- en schrobwerk in de haven van Tanjong Priok. Hij verdiende niet genoeg geld om zijn gezin te onderhouden, totdat -toen de nood het hoogst was- hij een baan kreeg aangeboden als hulpmonteur in een garagebedrijf van een bevriend echtpaar in Soekaboemi, een dorp tussen Batavia en Bandoeng. Het was voor het gezin een geschenk uit de hemel. Later zou hij nog een eigen garagebrdijf hebben, maar financieel ging het niet goed. Daar was hij niet voor in de wieg gelegd. De inkomsten van Immie bleken veel te weinig voor de opgelopen schulden. Immie werd failliet verklaard en het gezin moest naar een simpel huisje met bamboe-overkapping, maar zonder vloer, water of elektriciteit in een kampong verhuizen.

En toen kwam er toch weer licht in de duisternis. Immie mocht bij General Motors in Malang komen werken en later in Batavia -waar sinds 1927 auto's werden gefabriceerd- om nieuwe auto's in te rijden. Hij had in zijn leven al veel ongevalsslachtoffers gezien en bovendien slecht vervoer naar ziekenhuizen. Immie was ook uitvinder. Zo zou hij zich beziggehouden met het dimlicht voor auto's, met een windscherm, zodat in een open auto de wind niet in de auto kwam en een handy-line, een drooglijn, die je kon in- en uittrekken. Hij heeft zich tot het einde van zijn leven bovendien beziggehouden met een perpetuum mobile, waarmee hij uit de golfslag van de zee energie wilde opwekken (foto 2). Een milieubeschermer avant-la-lettre dus!

 

Het moest veren als een kinderwagen

Toen het echtpaar na hun huwelijk in 1918 in de geboorteplaats Poerworedjo (Midden-Java) van Luus woonde, bracht op een dag een ernstige, maar nu onbekende bloeding het leven van mevrouw Riemvis in gevaar. Zij moest naar het ziekenhuis, maar hoe? ‘Liggend vervoeren!' riep de dokter, ‘en heel voorzichtig, want iedere schok kan haar dood betekenen'. Een ziekenauto was niet beschikbaar, dus werd een baleh-baleh (een slaapbank gemaakt van bamboestengels) over de banken van een open auto gelegd, die een beetje veerde op de gecapitonneerde leuningen. Het liep met Luus goed af, maar Immie begon weer te piekeren. De wegen in het Nederlands-Indië van toen waren nergens van goede kwaliteit en dus zou er een grote behoefte moeten zijn aan schokvrij vervoer van zieken en gewonden, zo dacht hij. Met de ervaring van de baleh-baleh op de open auto ging hij aan het werk en construeerde een brancard, die op iedere auto te bevestigen was en veerde als een kinderwagen. De constructiewerkplaats ‘De Arbeid' in Semarang aan de noordkust van Java fabriceerde het eerste exemplaar (foto 3), waarna het gedemonstreerd werd aan de doktoren en verpleegsters van het Sint Carolus Ziekenhuis in Batavia. De eerste bestelling werd gedaan door de H.V.A., de Handelsvereniging ‘Amsterdam', die in Nederlands-Indië (en Ethiopië) suiker produceerde en eigen hospitaaltjes exploiteerde. In de jaren twintig werden vervolgens patenten aangevraagd en op zijn naam verkregen in Groot-Brittannië (26 april 1923), Duitsland (27 oktober 1927) en de Verenigde Staten (27 november 1928)

 

Grote belangstelling in Nederlands-Indië

Nadat het hoofd van de Gemeentelijk Geneeskundige Dienst in Batavia, dokter O. Degeler, de brancarddrager aanbeval, stroomden de bestellingen van plantages en vanuit de mijnbouw binnen. Uiteindelijk hadden bijna alle ondernemingen op Java een dergelijke ‘automobiel-brancard', die bijvoorbeeld ook op suikerlorries gemonteerd kon worden. Zelfs de politie op Java gebruikte een dergelijke brancarddrager op een motorfietszijspan. De uitvoer naar het moederland was echter niet gelukt.

 

Met de pet in de hand naar het Nederlandse Rode Kruis

In Nederland aangekomen wachtten hen geen warm onthaal. Berooid, een mager onderkomen op een zolderkamer, geen werk, maar wel een model van een brancarddrager! Toen een kennis werd aangereden op een polderweg en drie uur op vervoer had moeten wachten, groeide opnieuw het idee. Immie nam contact op met de Medische Afdeling van het Nederlandse Rode Kruis. Op 12 november 1947 kregen twee doktoren van die afdeling bezoek van de heer Riemvis met zijn model van ongeveer 25 cm van een verende brancarddrager. Deze doktoren werden dagelijks overstelpt met nieuwe ideeën, die meestal niet tot uitvoering kwamen. En toen zette Riemvis zijn modelletje onder een stolp op tafel. ‘Dit is het', dachten de beide doktoren. Ze hadden wel direct een bezwaar. Het model voorzag slechts in één breedte van de brancard en in Nederland werden toen meerdere breedtes gehanteerd (hetgeen bij de treinramp bij Harmelen op 8 januari 1962 tot een ramp op zichzelf zou leiden, omdat de gebruikte brancards niet in willekeurige ziekenwagens pasten). Maar daar was direct een passende oplossing voor. Men was dus bij het Nederlandse Rode Kruis enthousiast en verwees Riemvis naar een bedrijf voor de technische uitvoering. Bij dit bedrijf lukt het niet en toen werd Riemvis verwezen naar het carrosseriebedrijf van de Gebroeders Visser in Leeuwarden. Visser paste inmiddels Britse Austin K2Y-legerambulances om voor het Nederlandse Rode Kruis (foto 4 en 5).

 

De eerste demonstraties

Het contact met Visser leidde op 28 juni 1948 tot een eerste demonstratie op een grote vrachtwagen, waarmee met grote snelheid over de slechtste straten van het gebombardeerde Bezuidenhoutkwartier in Den Haag werd gereden (foto 6). De toenmalige commandant van het Rode Kruis Korps, de heer Mr G.F. de Stoppelaar, en het hoofd van de Technische Dienst van het Hoofdbestuur, de heer J.G. Schreuder, waren tevreden, maar zagen toch nog punten van verbetering, die Riemvis beloofde aan te brengen. Alweer op 22 juli vond de tweede demonstratie plaats over hetzelfde traject in het Bezuidenhoutkwartier. Nu was de heer E. Wolthuis van de afdeling Liggend Ziekenvervoer aanwezig. Ook nu werden weer kleine aanpassingen besproken. Tenslotte vond de derde demonstratie op 22 oktober plaats en weer over hetzelfde traject. Bij deze demonstratie waren de artsen Bolt, Broekhoff en Sissingh van het Hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis betrokken. Zij waren nu zeer tevreden en achtten geen nieuwe aanpassingen meer noodzakelijk. De verende Riemvis-brancarddrager van het Nederlandsche Roode Kruis was geboren!

 

De verende Riemvis-brancarddrager van het Nederlandsche Roode Kruis

De beschrijving van de verende Riemvis-brancarddrager luidde indertijd als volgt: ‘De stalen veren, die een goed vervoer van de patiënt waarborgen, zijn onbeweeglijk vastgenageld aan de grondvlakken, maar aan het andere veereinde beweeglijk verbonden met de U-vormige rails, waarin of waarop de brancard of noodbaar komt te rusten. Een hard-gummi tussenlaag maakt de vering geruisloos. Bovendien veroorlooft de grote stelschroef in het centrum der veerbeweging de vering naar willekeur te regelen, zelfs onder het rijden. Tevens is een handigheidje aangebracht om het terugschuiven van de brancard in de U-rail te verhinderen. Bij het uitbrengen van de baar hangt het dopje naar beneden en stoort dus niet. Na het plaatsen van de brancard wordt het naar boven geslagen en blijft dan in de keepjes van de U-rail vastzitten' (foto 7).

Het Rode Kruis zag een groot aantal voordelen van deze brancarddrager ten opzichte van de tot dan toe gebruikte hydraulische afvering van brancards in ziekenauto's: ‘1. ze is te gebruiken voor elke breedte van de brancard; 2. Ze kan snel geplaatst worden in iedere ambulancewagen of vrachtauto; 3. De vering is soepeler dan die van een oliedruk-brancard; 4. De vering is door een eenvoudige handeling in te stellen voor lichte en zware patiënten; 5.Zelfs onder het rijden met beladen brancard is de vering in een enkele minuut desgewenst nader af te stellen; 6. Geen lekkage of geregeld onderhoud als bij oliedrukvering; 7. Voor opberging is slechts een kleine ruimte nodig; 8. Verbuigingen door ruwe behandeling zijn uitgesloten; 9. Slijtage kan vrijwel nihil genoemd worden; 10. De beladen baar staat onverschuifbaar op de vloer; 11. De prijs is slechts de helft van een oliedrukbrancard; 12. Het gewicht is zodanig dat het geheel gemakkelijk door één man te dragen is.' De Gebroeders Visser konden zelfs een eenvoudige constructie aanbrengen, waarmee het mogelijk was een tweede, eveneens afgeveerde brancard mee te nemen zonder dat daarbij hoog getild behoeft te worden (de zogenaamde ‘stapelriemvis') (foto 8).

Zowel voor de verende brancarddrager als voor de opstelling van de tweede brancard werden in Zwitserland (31 december 1950), Groot-Brittannië (27 juni 1951), Canada (16 oktober 1951), Duitsland (25 oktober 1951) en later ook België (16 augustus 1961) aangevraagd en op naam van Riemvis verkregen.

 

Internationale belangstelling

Aanvankelijk was er internationaal geen interesse voor de Riemvis-brancarddrager. Dat veranderde toen het hoofd van de Medische Afdeling van de Liga van de Rode Kruis Verenigingen in Genève de Riemvis-brancarddrager had gezien. Op 17 juni 1949 werd op uitnodiging van de secretaris-generaal van het Comité International de la Croix Rouge in Genève de brancarddrager in het museum van de organisatie voor een internationaal gezelschap artsen en andere belangstellenden gedemonstreerd. Nu ging het ook weer in een vrachtwagen over smalle en bijna onbegaanbare bergweggetjes. De brancarddrager liet zich van zijn beste kant zien. Of het daadwerkelijk tot aanschaf en gebruik in het buitenland is gekomen is nog niet uit onderzoek gebleken.

 

Militaire belangstelling

Nu het Rode Kruis zo enthousiast geworden was over deze verende brancarddrager kreeg ook het Nederlandse leger belangstelling. Rond 1949 werd op de Vlasakkers bij Amersfoort een dubbele, naast elkaar geplaatste opstelling van deze brancarddrager beproefd op een Willys MB-jeep (‘oorlogsjeep') onder het toeziend oog van een generaal (foto 9). De constructie werd kennelijk beoordeeld als waardevol voor het Nederlandse leger, want in de jaren daarop zijn deze brancarddragers niet alleen op de Willys MB-jeep geplaatst, maar ook op zijn opvolger de NEKAF-Willys M38A1, die dezelfde maatvoering van zijn bakje had als zijn voorganger (foto 10). De aanduiding GWT (gewondentransport) achter de typeaanduiding van de jeep gaf aan, dat het om een ambulance-uitvoering van de jeep ging.

 

‘Het is of je regelrecht naar de hemel zweeft'

In 1950 werd de verende Riemvis-brancarddrager in het openbaar gedemonstreerd in een nieuwe Packard-ziekenauto (foto 11 en 12) met een echte patiënt er in, die verzuchtte: ‘Het is of je regelrecht naar de hemel zweeft'. Hij bedoelde natuurlijk, dat hij het vervoer bijzonder prettig had ervaren en niet, dat hij een enkeltje naar de eeuwige jachtvelden had genomen. Een toeschouwende arts maakte de opmerking: ‘Hierop kan je een maagperforatie zonder enig bezwaar vervoeren'. De Riemvis-brancarddrager begon nu ook in Nederland zijn zegetocht. Maar Immie Riemvis is ook nu niet rijk geworden. Hij bleef een ‘arme jongen'.

 

Bronnen:

Anonymous: De Riemvisbrancarddrager bij het C.I.C.R. te Genève, Het Nederlandse Rode Kruis juli 1949

Anonymous: De goede dingen winnen het toch!, Het Nederlandse Rode Kruis september 1950

Hooftman, T.A. - : De verende Riemvis-brancarddrager van het Nederlandsche Roode Kruis, Het Nederlandse Rode Kruis januari 1949

Riemvis, Kiss - : persoonlijke mededelingen, Rijswijk juni-juli 2008

Zoeteman, Leon - en Kiss Riemvis: Kiss. Dagboek van een levenskunstenares, Leon Zoeteman Produkties - Muiderberg 1998

Auteur: Hans Waldeck; versie 2008 07 12